tot hun nachtmerries schallen over
waar de zeelieden dronken
En als een wimpel zo lang,
in de dok ken gaan ronken
Vol van bier en van gram,
waar de zee maan ontwaakt
Als de warmte weer blaakt
bij de staart uit de hand
En van de hand in de tand
smijten zij met hun knaken
En na dat maal staan ze op
om hun broek dicht te knopen
En dan gaan ze weer lopen
waar de zeelui gaan zwieren
En de meiden gezieren buik aan buik,
Hij is rood als een kreeft,
happen zij een harde de lucht
En met een her van gewicht
is de meid weer terug naar het licht
En maar zuipen en zuipen,
en nog een keer zuip zuipen
Op het geluk van een oer van de wallen,
Nou ja, van een goed stuk
van een slet die zichzelf
Van haar deugd heeft geslonken,
En dan zijn ze goed dronken